Over een Groot Boek

Van dichten comt mi cleine bate.

Die lieden raden mi dat ict late

 

Zo begint onze middeleeuwse Beatrijs. In economisch opzicht vormt de poëzie inderdaad een genre dat door literatoren beter gemeden kan worden. Er valt door slechts weinigen droog brood mee te verdienen. Natuurlijk bestaan er uitzonderingen op deze ‘regel’, maar dan gaat het veelal om dichters die in een wereldtaal als het Engels of het Spaans schrijven. De meeste dichters zullen hun kunstvorm naast andere, meer lucratieve bezigheden beoefenen. Uitgevers verdienen eveneens weinig aan gedichtenbundels en brengen ze doorgaans om vooral ideële redenen uit of omdat men ook het beter te verkopen werk van dezelfde auteur in het fonds heeft. Een verzenbundel die in Nederland verschijnt, heeft gewoonlijk een oplage van 150 tot 300 exemplaren, maar ons land telt ongeveer 16 miljoen inwoners… We hoeven niet aan te nemen dat het mutatis mutandis in veel landen met de handel in poëzie beter gesteld is.

            Als we het dan hebben over gedichten in ‘kleine’, volgens sommigen bijna uitgestorven talen, mag men zich afvragen of daarin nog ‘leven’ kan zitten. Het lijkt haast zeker dat in dit verband ‘economisch leven’ kan worden uitgesloten. Schreef de Ierse dichter Mathghamhain Ó Hifearnáin (Mahon O’Heffernan) rond 1600 al niet in zijn gedicht Ceist! cia do cheinneóchadh dán?” (“Vraag! wie zal een gedicht kopen?”) dat hij maandenlang heel Munster had doorkruist om een waarlijk geleerd gedicht aan de man te brengen, maar zonder enig succes, en was elders niet zijn conclusie: ‘A mhic, ná meabhraigh éigse’ (‘O zoon, praktizeer de dichtkunst niet’)? Een niet heel lang geleden verschenen, maar in Nederland kennelijk nog steeds niet gesignaleerde anthologie van Iers–Gaelische en Schots–Gaelische dichtwerken zegt ons iets anders. Dit boekwerk toont op zelden vertoonde wijze aan dat de Keltische poëzie van Ierland en Schotland niet alleen als categorie springlevend is. Er blijken zelfs kunstenaars, uitgevers en subsidiërende instellingen te bestaan die zodanig geloven in de intrinsieke waarde van deze poëzie dat ze An Leabhar Mòr fysiek mogelijk hebben gemaakt, en hoe!

            The Great Book of Gaelic, zoals de Engelse ondertitel van dit ronduit schitterende boek cum annexis luidt, is een soort Gesamtkunstwerk dat zijn bestaan dankt aan het initiatief van de Ierse dichter Theo Dorgan en de Schotse kunstenaar Malcolm Maclean. Wat hebben zij gedaan? Ze verzamelden competente personen in een literair panel dat vijftien Ierse en vijftien Schotse dichters verzocht om een gedicht af te staan. Deze uitverkoren dichters kozen op hun beurt ook nog twee door anderen geschreven gedichten. Enkele kenners van de Gaelische poëzie zochten nog tien andere gedichten uit, waardoor het totaal op honderd kwam. Het juiste aantal is eigenlijk tweehonderd, want van alle gedichten werden Engelse vertalingen verzameld. De redacteuren gebruikten met name de favoriete vertalingen van degenen die de gedichten hebben gekozen, de nominators. Daarnaast werden in een zorgvuldig proces honderd kunstenaars uit Schotland en Ierland geselecteerd die een tweedimensionaal kunstwerk bij een van de gedichten vervaardigden. Ook werd een team van tien kalligrafen en typografen samengesteld dat in samenspraak met de kunstenaars elk gedicht geheel of gedeeltelijk in het kunstwerk verwerkte. Voorzien van inleidingen werden de gedichten met hun vertalingen op de linkerbladzijden van een boek op oblong formaat afgedrukt, terwijl de rechterbladzijde het kunstwerk met de gekalligrafeerde of typografisch verzorgde tekst draagt, gereproduceerd als een facsimile. Het boek is geheel in kleur gedrukt en aan de boekverzorging is genereuze aandacht besteed. Het resultaat van deze samenwerking tussen zo’n 150 kunstenaars is niet alleen een bijzonder boek, maar men voorzag ook toegevoegde waarde in de vorm van een Internet–website, een documentairefilm, een muziek–cd, een BBC–radioserie, een educatief pakket voor scholen, en een reizende tentoonstelling met flankerende activiteiten zoals lezingen en dergelijke. Of deze onderdelen allemaal reeds zijn verwezenlijkt, is mij niet bekend; de cd bijvoorbeeld heb ik (nog) niet getraceerd. Ik ken alleen boek en website en moet deze bespreking daartoe beperken.

            Levende dichters kozen de opgenomen gedichten, maar die stammen uit de gehele periode van zo’n 1500 jaar waarin de Ierse en Schotse tradities zich uit één bron ontwikkelden. We komen dan ook goede bekenden tegen, waaronder het eerste en oudste gedicht “Amra Choluim Chille” (“Lofdicht op Colum Cille”) door de Ierse poëet Dallán Forgaill uit ca. 600 A.D. An Leabhar Mòr is echter geen greatest–hits–compilatie, daartegen is het keuzesysteem een probaat wapen geweest, dat ervoor zorgde dat de hier verzamelde Gaelische poëzie in verschillende opzichten in een verrassend licht kwam te staan. Deze lezer werd verrast door het onderwerp van Seán Ó Tuama’s ode aan de hurling–speler “Christy Ring” (nr 96), door de lofzang op de penis van een geestelijke door de Schotse  Iseabail Mheic Cailéin uit ca. 1500 (nr 12), door de regel ‘Coimheascar na rós ar a leacain’ (‘Een strijdgewoel van rozen op haar wangen’) in een gedicht van Máire Mhac an t–Saoi (nr 64), en dan houd ik het maar bij drie voorbeelden.

            Het boek (met de website) is een feest voor de poëzieliefhebber, en al lijken 100 gedichten niet veel, dankzij het lucide en sympathieke concept, de sterke samenhang tussen tekst en beeld en de opname van begeleidende teksten gaat het hier duidelijk om een ‘Groot Boek’. Zoals hierboven aan het begin al werd gesteld, is financieel gewin bij poëzie geen geschikt oogmerk. An Leabhar Mòr is een kostbaar project waarvan de winst bepaald niet in valuta zal worden uitgekeerd, maar winst is er ontegenzeglijk: de Gaelische verskunst staat nu ook voor een groter publiek duidelijk vindbaar op de kaart.

            Sommigen geloven dat poëzie met name voor uiterst sensitieve personen bedoeld is, en daardoor ontstaan er overal op de wereld nog steeds heel veel slechte gedichten. De regelmatige lezer en de kenner van poëzie weten dat gedichten per se niet hoogdravend, spiritueel of buitengewoon fijnbesnaard hoeven te zijn. Poëzie is een medium dat vergeleken met proza veelal een meer geconcentreerde vormgeving kent en een tamelijk indringend beroep doet op de gedichtenmaker om een arsenaal aan schrijfvaardigheden – niet zelden op de vierkante millimeter – in te zetten. Dat alles vraagt van de lezer weer een navenante, geoefende leesvaardigheid. Poëzie is in de eerste plaats geconcentreerde taal.

            Hoe duidelijk wordt dat alles ook in An Leabhar Mòr! Voorop staat uiteraard dat het om Gaelische poëzie gaat. Taalkarakter moet echter los worden gezien van de kwaliteiten van het ‘taalprodukt’ zelf. Het is evenwel geen paradox dat de Gaelische aard van deze gedichten juist medebepalend is voor hun waardering. Vandaar waarschijnlijk ook dat bij wijze van ouverture of  ‘frontispice’ het fraaie gedicht door Nuala DhomhnaillCeist na Teangan” met de vertaling “The Language Issue” door Paul Muldoon werd opgenomen. Je zou hierin kunnen lezen dat het ogenschijnlijk zinloze werk van de Ierstalige dichter wordt afgezet tegen de fragiele hoop ‘op een goede afloop’ die diezelfde dichter koestert. Dat laatste is het waar het in alle poëzie om gaat: het vinden van een lezer, van een zielsverwant die zich om jouw gedicht bekommert. Dat de taal waarin het gedicht is geschreven niet alleen de gemeenschappelijke golflengte van dichter en lezer hoeft te bepalen blijkt uit de variëteit van de onderwerpen en de vormen van de gedichten. Van weemoed tot wellust, zou je kunnen zeggen, van vrij tot gebonden. Als er iets evident wordt uit deze particuliere maar toch representatieve bloemlezing, dan is het dat goede poëzie boven het bekrompen–regionale uitstijgt, hoezeer zij ook taalgeografisch gebonden is.

            De combinatie van poëzie met beeldende kunst is in dit boek bijzonder geslaagd en ik zou willen stellen dat het beeldidioom, ofschoon onmiskenbaar eigentijds en ook al buitengewoon gevarieerd, vaak toch als Noordwesteuropees of Europees–Atlantisch is te herkennen. Dat ligt aan een samenspel van elementen. Bekijken we de bladzijde naast “Nuair Dh’iathas Ceò an Fheasgair Dlùth” (“Als de avondmist ons omgeeft”, nr 59) van Murchadh Macillemhoire (Murdo Morrison, 1884–1965) dan zien we het steeds terugkerende facsimile van een blad papier, met daarop rechts een foto van een typisch Schots landschap met een baai of meer, barre rotsen en enkele verdwaalde huisjes. In het water doemt vaag het gezicht op van een meisje waarover door de dichter wordt gesproken. Links van de foto is het gehele gedicht van Macillemhoire in een moderne, aan oude Insulaire scripten herinnerende cursief gekalligrafeerd. Sierlijkheid en gemoderniseerde traditionaliteit strijden hier om voorrang. Landschap en schrift zijn typisch Schots, beeld en schrift zijn terzelfder tijd modern. Zo zijn er meer uiterst gelukkige verbintenissen tussen woord en beeld in dit boekwerk aan te wijzen die de kijker–lezer naar het Insulaire gebied voeren. Maar niet alleen daarheen. De afbeelding door Patricia Looby bij “Maireann an t–Seanmhuintir” (“De ouden leven voort”, nr 64) van Máire Mhac an t–Saoi is bijvoorbeeld onmiddellijk herkenbaar als geïnspireerd door de Romeinse kunst. In de pagina van beeldend kunstenaar James Morrison en kalligraaf Donald Murray bij het gedicht “Cearcall mun Ghealaich” (“Een cirkel rond de maan”, nr 92) van Catrìona Nicgumaraid (Catriona Montgomery) zien we Schotland en Japan met elkaar versmelten. En hoe effectief evocatief is niet het meesterlijke, minimale kunstwerk van Fionnuala Chiosáin bij “D–Day” (nr 76) van Pól Ó Muirí! Het is ondoenlijk en weinig zinvol om alle combinaties in het boek te noemen – ze vragen om gezien te worden. De conclusie moet daarom volstaan dat we hier waarachtige kunstwerken vinden die in musea voor moderne kunst bepaald geen slecht figuur zouden slaan, maar ook bij deze Gaelische poëzie helemaal thuishoren.

            An Leabhar Mòr is goed gedocumenteerd, met inleidingen door Malcolm Maclean, Duncan Macmillan, Colm Ó Baoill, Ronald Black en Theo Dorgan over dit project, over beeldende kunst in Schotland en Ierland en over de Gaelische poëzie. Achter in het boek vinden we nog de langere dichtwerken die niet in hun geheel op de hoofdpagina’s konden worden opgenomen, en vervolgens portretjes en biografietjes van de medewerkers aan het project, en een register. Het is een grote rijkdom die dit boek ons biedt, maar niet alleen het boek. Op de Internet–website zijn alle gedichten te lezen en de bijbehorende kunstwerken te zien. Soms kan men een gedicht zelfs beluisteren. De inleidingen vindt men niet op deze webpagina’s, maar wel het tourneeschema van de reizende tentoonstelling van de kunstwerken. Deze begon in 2002 in Schotland, is al in Amerika geweest, zal nog in Ierland, Engeland, Canada en sommige continentale Europese landen te zien zijn, en is pas in 2008–2009 (!) uitgetourd. De kunstwerken worden dan in één band van geiteleer verzameld, tot een werkelijk Leabhar Mòr. Het boek wordt daarna naar goed–Keltische traditie in een cumhdach (boekomhulsel) bewaard, die gemaakt zal worden van hout uit Hallaig op Raasay, waarover in gedicht nr 63 door Somhairle MacGillEain (Sorley MacLean, 1911–1996) op ontroerende wijze wordt geschreven. Afwisselend zal An Leabhar Mòr dan telkens een jaar in Schotland en een jaar in Ierland worden tentoongesteld.

            Na jaren van gelamenteer over de ‘dood’ van het Gaelisch is An Leabhar Mòr een welkom bewijs dat de Insulair–Gaelische talen en letterkunde nog steeds volop bloeien en geheel van deze tijd zijn. Neemt en leest.

 

Malcolm Maclean & Theo Dorgan (red.), An Leabhar Mòr: the Great Book of Gaelic, Edinburgh: Cannongate Books, 2002. 336 pp., gebonden, ISBN 1–84195–249–4, ₤ 35.00; ingenaaid, ISBN 1–84195–250–8, ₤ 22.50.

 

Internet–website: http://www.leabharmor.net/

Kees Veelenturf, 21–3–2004

Terug naar de hoofdpagina

 

Copyright © 2001–2008 C. A. Veelenturf
Deze webstekpagina’s zijn veranderlijk.
Datum van laatste wijziging: 11–8–2008